Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Dossier Mediawet

11-10-2016
Hendrik ten Hoeve
Aanvullingen bij het toekomstbestendig maken van de landelijke publieke mediadienst / 34.459 .

Voorzitter,

Er is al heel lang en uitgebreid met de staatssecretaris gediscussieerd over de wijziging van de mediawet. Wat mij betreft hoeven we dat niet over te doen. De door de staatssecretaris gedane toezeggingen wat betreft de benoeming van Bestuur en Raden van Toezicht van NPO en RPO, zijn keurig waargemaakt. Wat betreft de verhouding tussen NPO en omroeporganisaties blijft artikel 2.88 van de mediawet het centrale uitgangspunt, waarin alle verdere interne regelingen uiteindelijk hun begrenzing vinden. En voor de waarborging van de publieksbetrokkenheid wordt een maatschappelijk representatieve adviesraad opgetuigd. Of dat laatste werkelijk zal bijdragen aan vergroting van de maatschappelijke relevantie van de publieke mediadienst, naast de te koesteren functie van de omroepverenigingen in dit opzicht, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dit is wel wat de Kamer gevraagd heeft. De staatssecretaris heeft dus wat mij betreft aan de verwachtingen met betrekking tot het afronden van de discussies over functie en taakuitoefening van de NPO voldaan.

Anders ligt het natuurlijk met betrekking tot de regionale omroepen en het lijkt mij goed om dat hier toch ook even aan de orde te stellen.

Alhoewel de staatssecretaris er nog van uit lijkt te gaan dat het wetsvoorstel zoals dat bedoeld was om de inbedding van de regionale omroepen in de RPO te realiseren, er op termijn nog wel zal komen, lijkt dat toch niet zo zeker. Het lijkt niet aannemelijk dat dit in het komende halfjaar nog kan, en wat er daarna gebeurt blijft natuurlijk afwachten. Dat betekent naar mijn gevoel dat het zinvol is om voorlopig uit te gaan van de situatie zoals die nu ontstaan is. De regionale omroepen blijven functioneren als aangewezen regionale publieke media- instellingen en kunnen op basis van die aanwijzing uitzenden. Zij blijven dus ook wat betreft zend-concessie zelfstandig en zijn niet gebonden aan aanwijzingen die hun eventueel door de RPO gegeven worden. Dat heb ik toch goed begrepen, vraag ik de staatssecretaris. Desondanks is het natuurlijk aannemelijk dat wanneer er onder regie van de RPO of anderszins zinvolle en efficiënte bezuinigingsmaatregels worden voorgesteld, de omroepen die wel zullen willen implementeren. Dat zullen ze, neem ik aan niet willen wanneer zulke maatregels negatief uitwerken op hun mogelijkheden om in programmatisch opzicht te doen wat ze belangrijk vinden. Ik zou mij voor kunnen stellen dat zulke situaties wel voor kunnen komen. Zie ik dit goed, vraag ik aan de staatssecretaris, en wat verwacht de staatssecretaris wat dit betreft?

Het lijkt mij niet duidelijk of alle geplande bezuinigingen gerealiseerd zullen worden, de ontstane verwarring zal ook niet bevorderend werken. Hoe dan ook brengt het IPO nog eens weer de eerder ook hier breed gedeelde vrees naar voren dat de programmatische invulling te leiden zal hebben. Niet bezuinigen zou natuurlijk de definitieve oplossing geven voor alle betrokken regionale omroepen. Minder bezuinigen zou ook al helpen. En het minste wat gevraagd kan worden is dat de al beloofde vermindering van de bezuiniging met een halfjaartranche van 8,5 mln euro evenwichtig ten goede komt aan alle regionale omroepen. Onafhankelijk, dunkt mij, van de vraag of ze wel of niet bepaalde bezuinigende samenwerking willen aangaan. Dat is in ieder geval de enige manier om de voor de hand liggende consequentie te trekken dat de nu zelfstandig gebleven omroepen het principiële recht hebben om hun eigen beslissingen te nemen. In overeenstemming met de ideeën van de RPO, of, als zij menen daar nadeel van te zullen ondervinden, anders dan volgens de ideeën van de RPO. Daar wil ik wel graag het standpunt van de staatssecretaris over horen, waarbij ik meen dat de achtergrond van de beloofde korting niet was het nemen van maatregelen als zodanig, maar de langdurige onzekerheid waardoor het feitelijke proces belemmerd werd en de omroepen dus ten aanzien van de verwerking van de bezuinigingen op achterstand werden gezet.

Tenslotte, voorzitter, ik waardeer het dat de staatssecretaris het opnemen van een paragraaf over functie en taak en mogelijkheden van Omrop Fryslân in de bestuursafspraak met de provincie Fryslân niet wil laten wachten op eventuele verdere ontwikkelingen. Ik ben er van overtuigd dat daarvoor een goede formulering overeen gekomen kan worden.

Ik zie graag de reactie van de staatssecretaris tegemoet.

02-03-2016
Hendrik ten Hoeve

Gisteren is de mediawet weer aan de orde geweest. Ik heb de staatssecretaris duidelijk laten verklaren dat de extra kosten voor de regionale omroepen opkomen door de vertraagde besluitvorming door de staatssecretaris vergoed zullen worden. Bovendien veel nadruk gelegd op de risico's dat de bezuiniging van 17 miljoen toch ook ten koste zal gaan van de programmering en niet alleen uit efficiencyverbetering gehaald kan worden. Zo gauw dat blijkt "ontstaat er een nieuwe situatie" (staatssecretaris).
Ik meen dat dan de budgetten weer omhoog moeten, maar in deze regeringsperiode is dat van deze regering niet echt te verwachten. Voor de situatie van Omrop Fryslân heb ik een motie ingediend (zie oderstaand) die het wel zal halen en ook de steun kreeg van de staatssecretaris. Overigens moet de stas nog altijd duidelijk in een brief vastleggen hoe hij aanpassingen in de wet denkt aan te brengen die door vooral CU en D66 gevraagd worden. Volgende week dus het vervolg.

Eerste Kamer der Staten-Generaal 1
Vergaderjaar 2015–2016
34 264 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst

MOTIE VAN HET LID TEN HOEVE C.S.
Voorgesteld 1 maart 2016

De Kamer,
gehoord de beraadslagingen,
overwegende dat het op grond van de bijzondere positie van het Fries als tweede rijkstaal en de daarmee samenhangende nationale en internationale verplichtingen van belang is dat er voldoende voorzieningen door de overheid getroffen worden voor een kwalitatief hoogwaardig programma-aanbod in de Friese taal;

overwegende, dat Omrop Fryslân een bijzondere taak en positie heeft ten aanzien van het behoud, de bevordering, de ontwikkeling, de overdracht en het levende gebruik van het Fries als tweede rijkstaal;

overwegende dat het wenselijk is de genoemde posities en belangen binnen het geheel van de RPO voor nu en in de toekomst extra te waarborgen;

verzoekt de regering daartoe een mediaraad voor Fryslân in te stellen waarin onafhankelijke kennis en deskundigheid worden samengebracht, waarbij deze raad een extra waarborg voor de provincie Fryslân vormt om het belang van de Friese taal, cultuur en identiteit en in het verlengde daarvan de positie van Omrop Fryslân binnen het geheel van de RPO te verzekeren;

verzoekt de regering voorts deze mediaraad taken en bevoegdheden te geven die direct verband houden met voornoemde posities en belangen waaronder een instemmingrecht bij het benoemen van de hoofdredacteur van Omrop Fryslân en bij de vaststelling van de jaarplannen van de Omrop en een zwaarwegend advies bij de middelenverstrekking aan Omrop Fryslân voor een volledige en veelzijdige Friestalige programmering op radio, televisie en internet;

verzoekt de regering tevens om deze mediaraad een adviesrecht te geven voor de benoeming van de bestuurder van de RPO die het onderwerp Friese taal, cultuur en identiteit in zijn portefeuille heeft;

verzoekt de regering verder om de budgetten van Omrop Fryslân, na verwerking van de bezuinigingen, op het zelfde programmatische activiteitenniveau te waarborgen;

verzoekt de regering ten slotte op grond van het bovenstaande in samenspraak met de RPO, Omrop Fryslân en de Provincie Fryslân tot een regeling te komen en dit vast te leggen in de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur.

en gaat over tot de orde van de dag.

02-02-2016
Hendrik ten Hoeve

Het “toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst” is het waard dat er goed over wordt nagedacht en gediscussieerd voor er ingrijpende beslissingen worden genomen. Dat is dan ook in de behandeling, ook hier in de Eerste kamer, in redelijk ruime mate gebeurd. De invloed van de overheid op de NPO, de regierol van de NPO en haar invloed op programmering of zelfs programma-inhoud, de omschrijving van de taak van de publieke media binnen het totale mediabestel en de vraag of de vereiste pluriformiteit nu moet komen van alleen de omroeporganisaties met leden of vooral ook van een sturende NPO met eigen mogelijkheden om voorstellen van externe producenten gerealiseerd te krijgen, dat allemaal is veelvuldig aan de orde geweest.

En daarnaast is dan nog het andere deel van het wetsvoorstel aan de orde geweest, de opzet van een landelijke inbedding van de regionale omroepen. De RPO waarin het wetsvoorstel hiervoor wil voorzien, moet, net als de NPO, ook sturend worden, maar dan niet in programmatisch maar in financieel opzicht, d.w.z in het toedelen van facilitaire en personele mogelijkheden, dus het maken van ingrijpende keuzes, voor de in de regio’s in principe zelfstandig werkende redacties.

De Raad van State constateert dat de organisatie van de landelijke publieke omroep een hybride karakter krijgt door de combinatie van omroepverenigingen en centrale sturing. En inderdaad is juist dat de reden voor veel vragen over de werking van het systeem, waar het moeilijk blijkt te zijn om echt duidelijke antwoorden op te krijgen. Omroepverenigingen worden in hun vrijheid beperkt allereerst al door de inperking van de opdracht voor de publieke omroep: geen amusement meer, dan alleen als dat helpt voor informatie, cultuur en educatie. De NPO zal daar natuurlijk op toe zien in haar programmeringstaak. En zij worden verder in hun vrijheid beperkt door de beoordeling van programma’s door de NPO ook in het kader van de programmeringstaak. De belangrijke vraag daarbij is telkens weer hoever de NPO daarbij kan gaan. Keurt de NPO alleen het genre, of toch verdergaand, tegen de grenzen aan of zelfs over de grenzen van het verbod op voorafgaand toezicht? Hoever reikt daarbij de taak van de netcoördinatoren en van de nog onbeschreven de genrecoördinatoren?
De staatssecretaris heeft tot nu toe niet echt duidelijk kunnen maken dan er geen sprake kan zijn van voorafgaand inhoudelijk toezicht. Zijn antwoorden daaromtrent liggen telkens op de grens van algemene inhoud, genre, en echte concrete inhoud. Dat schept risico’s en voor ons de niet eenvoudige afweging of hier niet grondwet en EVRM te makkelijk kunnen worden geschonden. Het oordeel van de regering daarover gaat eigenlijk niet verder dan haar conclusie dat het zal gaan om “een goed samenspel tussen MPO en omroeporganisaties”. En om een rol te spelen in dat samenspel zijn er dan het College van Omroepen, voor de advisering bij het concessiebeleidsplan, en de redacties waar de omroepen meespreken, voor het vaststellen van de profielen voor de aanbodkanalen en het opstellen van programmaschema’s. Of dat samenspel gaat lukken is natuurlijk de vraag en de positie van de omroepen in het geval het niet lukt lijkt niet heel sterk. Bezwaar, en beroep op de rechter blijft moeilijk als er veel beslissingen via mondelinge overleggen worden genomen, en trouwens ook als het om geformaliseerde beslissingen gaat. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat?

Enkele verder opmerkingen.
De taakopdracht voor de publieke omroep: informatie, cultuur en educatie met evt. niet meer dan een toeleidende rol voor amusement lijkt mij voor een omroep die in principe uit belastinggeld wordt betaald lijkt mij een juist uitgangspunt. En wat betreft het vereiste van een pluriform aanbod denk ik dat de omroepen, ook na de gedwongen fusies, daarvoor nog altijd de beste garantie vormen. Een extra rol voor externe producties, via keuzes door de NPO kan daar verder aan kan bijdragen, maar de rol van die externe producenten is via de levering van content aan de omroepverenigingen al heel groot, ik meen wel rond 50%. Dan is het dus al gelijk aan de omvang van het programmaversterkingsbudget. Denkt de staatssecretaris dat de rol van deze externen nog wezenlijk zal veranderen in de nieuwe situatie?

Tenslotte hierover, de benoemingssystematiek voor de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur van de NPO, in combinatie met de benoemingen bij NTR, NOS, Commissariaat voor de Media, ligt onder scherpe kritiek. Een rol, maar op afstand, voor de overheid lijkt bij de publieke omroep niet te vermijden. Nog wat verder op afstand zou mij niet onwelgevallig zijn, maar ik heb er niet direct een beeld bij hoe dat dan zou moeten.

Tot zover, voorzitter over de landelijke publieke omroep. Resteert het gedeelte over de regionale omroepen, dat in de behandeling minder aandacht heeft gekregen, maar dat, in ieder geval institutioneel, bijna nog ingrijpender is dan de verschuivingen bij de landelijke omroep. Het gaat om een totale verbouwing van het systeem van 13 onafhankelijke regionale omroepen naar één Regionale Publieke Omroep, met 13 alleen redactioneel zelfstandig werkende regionale afdelingen. Op deze manier moet de voorgenomen bezuiniging van 17 miljoen door een sterke centrale organisatie worden gerealiseerd in zoveel mogelijk de facilitaire bedrijven en BackOffice werkzaamheden. Dat moet, als de plannen niet worden aangepast, gebeuren in minder dan een jaar tijd, en het is intussen ook volstrekt duidelijk dat de bezuiniging niet volledig gehaald kan worden door de geplande ingrepen.

Het voorliggende wetsontwerp regelt nog niet veel meer dan alleen de oprichting van de ene RPO, die als concessiehouder voor de hele regionale omroep moet gaan optreden. En die als directe taak, direct, nu, in verband met de bezuinigingen, krijgt “het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren. De RPO zal daarvoor na 1 januari 2017 de begroting voor de hele regionale omroep beheren en verdelen.
De reactie op de plannen verbaast misschien. Er is een groot en principieel verschil tussen de reactie die naar ons toe komt vanuit de redactieraden en ondernemingsraden van de 13 omroepen gezamenlijk, en de reactie die vanuit het bestuur, maatschappelijke organisaties en de omroep zelf uit Friesland is gegeven. De algemene reactie is toegespitst op praktische problemen en bedreigingen, de reactie uit Friesland is vooral een principiële afwijzing van de plannen. De gezamenlijke reactie vanuit de 13 regionale omroepen constateert dat het zal gaan om een grote bezuiniging, die in redelijkheid niet in minder dan een jaar met de noodzakelijke ingewikkelde nieuwe beheersmethoden gerealiseerd kan worden, die trouwens ook nooit het volledige bedrag van de bezuiniging zal kunnen dekken en die daardoor onvermijdelijk naast de techniek ook de journalistiek zal treffen. Dat is des te pijnlijker nu de taken van vooral de gemeenten zoveel groter en moeilijker uitvoerbaar zijn geworden dat daarbij een controlerende regionale journalistiek juist nu van extra groot belang wordt. De regionale pers heeft het moeilijk, dat de regionale publieke omroep door overheidsingrijpen ook nog beperkt wordt combineert slecht met alle andere doorgevoerde bezuinigingen. Overigens constateert ook ROOS, in feite zowat de initiator van de plannen, dat de tijd te krap wordt, dat de bezuinigingen zo niet gehaald kunnen worden en dat uitstel geboden is. De vraag van de regionale omroepen om de bezuiniging niet zo groot te maken dat ook de redacties daar onder moeten lijden, en de vraag, nu dus ook van ROOS, om meer tijd te nemen, lijken terecht. Graag commentaar daarop van de staatssecretaris. De rijksbegroting voor 2017 moet nog vastgesteld worden en dit jaar was er in ieder geval wel 5 miljard voor goede doelen beschikbaar. Dus..

Wat in het voorliggende wetsontwerp wordt geregeld houdt nog weinig definitiefs in, maar wel de oprichting van de RPO, met de bedoeling om daarmee per 1 januari 2017 op basis van een later dit jaar nog in te dienen wetsontwerp de definitieve eindsituatie te bereiken. Dit wetsontwerp houdt ook in de vaststelling dat aan de RPO de concessie verleend wordt “voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau” en dat aan haar de opdracht toegedeeld wordt om een concessiebeleidsplan vast te stellen waarin de uitwerking van de regionale publieke mediaopdracht wordt vastgelegd en om een prestatieovereenkomst met de minister te sluiten over wat bereikt moet worden met de regionale publieke omroep.
Dat betekent toch, voorzitter, dat aannemen van het voorliggende wetsontwerp, dat in directe zin nog niets regelt over de bestaande zelfstandige organisaties van de regionale omroepen, wel onvermijdelijk maakt dat in het volgende wetsontwerp de regionale publieke omroep wordt ondergebracht in de RPO en dus de zelfstandigheid van de bestaande organisaties wordt opgeheven. Is dat bij aanneming van dit wetsvoorstel inderdaad onvermijdelijk?, vraag ik de staatssecretaris. Overigens lijkt dat voor de meeste regionale omroepen op zich geen halszaak. Hun probleem is praktisch van aard en hun zeer terechte vragen richten zich dus op praktische maatregelen.

Maar de vraag uit Friesland is anders en komt van personeel van Omrop Fryslân maar ook uit de breedte van bestuur en maatschappij. En de achtergrond is niet alleen vrees voor verschraling van de journalistieke mogelijkheden, maar zorg om het verder aantasten van de mogelijkheden voor een volwaardige friestalige omroep. De Raad van State schrijft in haar advisering “De legitimering van publieke omroepen wordt traditioneel gevonden in waarden als informatievoorziening en overdracht van cultuur en educatie”. Die brede functie van de publieke media is noodzakelijk, niet alleen voor Nederland maar ook, misschien nog wel meer, voor een minderheidstaalgebied als Friesland. Dat wordt ook verwoord in de adviezen van de Commissie Hoekstra: “een volwaardig, zelfstandig en breed programma- /media aanbod in de Friese taal…. Die brede taakopdracht…….behoeft een structureel gedifferentieerde financiering en een afzonderlijke benadering bij de bepaling van het noodzakelijke budget.”.En datzelfde zeggen ook de Staten van Fryslân in een unaniem aangenomen motie: “dat…Omrop Fryslân … een onafhankelijke zelfstandige positie als enige publieke zender in de Tweede Rijkstaal moet behouden. Friesland vraagt dus niet om een redactie binnen de RPO, maar om een eigen omroep.

In een brief van 28 januari j.l. hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân samen met een aantal organisaties aangegeven wat zij verwachten van het gesprek met de staatssecretaris waarin rijk en provincie tot een overeenkomst moeten zien te komen. Dat beloofde gesprek heeft dus nog niet plaats gevonden, en dat is jammer, want dat betekent dat er nog geen duidelijkheid is over de opstelling van de staatssecretaris en over de positie van Omrop Fryslân als het voorliggende wetsvoorstel zou worden aangenomen.

Het is duidelijk wat vanuit de provincie gevraagd wordt en ook wat geboden wordt. De provincie is bereid middelen ter beschikking te stellen om een volwaardige omroep voor Friesland te helpen financieren. De provincie verwacht dat die volwaardige omroep dan een zelfstandige positie behoudt met een eigen bestuur en Raad van Toezicht en een eigen zendmachtiging. Daarbij kan dan natuurlijk een nauwe relatie worden vastgelegd met de andere regionale omroepen en de RPO, zodat ook meegewerkt kan worden aan gezamenlijke efficiencymaatregelen. Als zelfstandige organisatie, maar gelieerd aan de RPO, zal Omrop Fryslân zijn eigen deel van de bezuinigingen moeten dragen, maar wel zelf kunnen beslissen hoe die verwerkt worden. Vanwege de specifieke positie is ook eigen invloed over het facilitaire gebeuren niet zonder belang.

Voorzitter, ik ga er van uit dat de staatssecretaris het lang verwachte gesprek met de Friese gedeputeerde aan zal gaan. Misschien kan hij in zijn beantwoording duidelijk maken wat hij in dat gesprek zal inbrengen en of hij verwacht dat het gesprek tot overeenstemming zal leiden.

Overigens, ook over alle andere punten verwacht ik graag een reactie van de staatssecretaris.

26-11-2015
Hendrik ten Hoeve

Geachte steunfractie,
Allen bedankt voor het meedenken!! Intussen is besloten om van onze kant voor te stellen de kommissaris van de koning in Brabant, die zich tegen de nieuwe regeling heeft uitgesproken, en Geert Benedictus, oud-eerstekamerlid en betrokken bij het mediabeleid vanuit de Friese Staten. Volgende week dinsdag bepaalt de kamerkommissie wie er uitgenodigd zullen worden.

25-11-2015
Hendrik ten Hoeve

Geachte steunfractie,
Gisteren (24 november) is in de commissie OCW besloten om voordat de mediawet verder behandeld wordt een "rondetafelbijeenkomst" te houden met deskundigen en belanghebbenden. Omdat de wet ook van grote invloed is op de positie van de regionale omroepen lijkt het mij van belang dat er een vertegenwoordiger voor de regionale omroepen deelneemt. De vraag is wie wij daarvoor zouden kunnen benaderen. DE TIJD IS KORT. Morgen moet ik namen opgeven die ik bij het gesprek zou willen hebben.

10-11-2015
H. ten Hoeve / OSF

Het lid van de fractie van de OSF heeft kennis genomen van het wv Wijziging Mediawet. Hij heeft begrip voor de wens om het nationale publieke programma-aanbod duidelijk te onderscheiden van het commercieel gestuurde aanbod en dat als een samenhangend geheel te laten aanbieden via de daarvoor beschikbare uitzendkanalen, maar hij heeft daarbij nog wel een aantal vragen.
Hij heeft eveneens vragen bij de door het wv. in gang te zetten centralisatie van de regionale omroepen.

  • Is de regering van mening dat het karakter van de uitzendingen zal wijzigen door de duidelijke vastlegging dat het publieke aanbod gericht moet zijn op informatie, cultuur en educatie, m.a.w. vindt de regering dat nu nog sprake is van een teveel aan op verstrooiing gerichte programma’s?
  • Volgens het wetsvoorstel zullen de uit te zenden programma’s getoetst moeten worden aan het concessiebeleidsplan dat door de NPO wordt vastgesteld. Vindt daarbij toetsing plaats op basis van genre-beoordeling voordat een programma geproduceerd wordt of kan de NPO ook beoordelen op kwaliteit en strekking (inhoud) voor of ook nadat productie heeft plaats gevonden?
  • Welke rechtsmiddelen staan omroeporganisaties ter beschikking om bezwaar te maken tegen beslissingen van de NPO m.b.t. wel of niet uitzenden van te produceren of al geproduceerde programma’s?
  • De omroepverenigingen en de NOS en NTR fungeren als DAEB en krijgen als zodanig een budget toegewezen van door de overheid beschikbaar gestelde middelen. De helft van deze middelen wordt echter door de NPO toegevoegd aan het programmaversterkingsbudget en verdeeld op basis van opdrachten. Betekent dit dat (meer dan) de helft van het totale budget ten goede kan komen aan externe (niet-omroepvereniging) organisaties?
  • En betekent dit dat de invloed van de NPO niet alleen op de programmering van onderwerpen maar ook op de precieze inhouden van (meer dan) 50% van de programma’s zeer groot kan worden?
  • De NPO zal gelden als een ZBO, zijn raad van toezicht, met een brede opdracht, wordt via een vastgelegde procedure benoemd op basis van een voordracht van de minister, de benoeming van de raad van bestuur behoeft instemming van de minister. Kan de regering duidelijk maken dat dan de NPO zodanig onafhankelijk is van de regering dat haar verreikende invloed op het publieke programma-aanbod niet in strijd komt met artikel 7 van de Grondwet en artikel10 van het EVRM?
  • Wat beoogt de regering precies met het wijzigingsvoorstel m.b.t. artikel 2.55 Mw 2008 (artikel I onderdeel R van het onderhavige wv)? In hoeverre kunnen hierdoor de rechten van omroepverenigingen op aangekochte of geproduceerde programma’s worden beperkt dan wel afgenomen en in hoeverre kan dit eventuele opbrengsten van rechten voor de omroepverenigingen beperken? Voor de regionale publieke omroep wordt een nieuwe stichting RPO in het leven geroepen. Concessie, concessiebeleidsplan en begrotings- en verantwoordingscyclus komen bij de RPO te berusten. In de MvT schrijft de regering hierover “dit vereenvoudigt de aansturing van de huidige dertien zelfstandige regionale omroepen vanuit het Rijk en het toezicht … door het Commissariaat”.
    * Betekent de gekozen opzet dat de regering van mening is dat er een eenvormig systeem van regionale omroepen moet zijn zijn, ingekaderd door één algemeen geldend concessiebeleidsplan, maar ook met beschikbaarstelling van studio’s en alle andere materiële en personele voorzieningen door de RPO aan de in de regio’s opererende omroeporganisaties? In hoeverre zal in de gekozen opzet sprake zijn van eigen personeelsbeleid bij de regionale omroepen?
  • Wordt het in de gekozen opzet mogelijk om de provincies niet alleen via een programmaraad maar ook door financiële deelname en invloed op de voor “hun” omroep gekozen materiële uitgangspunten en mogelijkheden mee te laten spreken, of blijft dit volledig uniform geregeld en in handen van de “aansturing vanuit het Rijk”.
  • Als de regering enerzijds nadruk legt op de verantwoordelijkheid van de regionale omroepen voor specifiek regionaal media-aanbod, “met behoud van de specifieke eigen regionale identiteit en cultuur” en anderzijds ook op “een wettelijk orgaan dat daadkrachtig centraal besluiten kan nemen” en “meer gezamenlijk beleid in de vorm van een wettelijk concessiebeleidsplan”, zou dan het laatste niet een bedreiging kunnen vormen voor het eerste?
  • In de brief van 15 september 2015 van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer wordt de positie van Omrop Fryslân afzonderlijk aan de orde gesteld. Is de conclusie juist dat uit het in die brief gestelde volgt dat deze regionale omroep aan een andere en mogelijk bredere taakstelling moet voldoen dan andere regionale omroepen? Is de regering van mening dat dergelijke verschillen een plaats moeten krijgen in het concessiebeleidsplan of zal dat op een andere manier geborgd moeten worden? * Is de regering ook van mening dat, waar het Rijk op grond van internationale verdragen en wetgeving verantwoordelijkheid draagt voor de Friese taal, maar op basis van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur de praktische invulling daarvan aan de provincie Fryslân is opgedragen, het voor de hand ligt dat de Friestalige omroep ook ten minste mede door de provincie Fryslân moet worden gedragen? Zal dat ook als consequentie moeten hebben dat de verhouding met de RPO op een aparte wijze vorm gegeven moet worden?
  • Is de regering zich bewust van het feit dat een dergelijke gedeelde verantwoordelijkheid ook bestaat t.a.v. de Fryske Akademy, mede gesubsidieerd door de provincie en als Stichting gelieerd aan de KNAW?

13-10-2015
H. ten Hoeve / OSF
Bijdrage algemene beschouwingen 2015


Wij krijgen binnenkort in deze kamer de wijziging van de mediawet te behandelen waarin een volledig nieuwe structuur voor het geheel van regionale omroepen wordt vastgelegd. De daarbij geplande bezuiniging van 17 miljoen kan bijna niet anders dan ook de concrete werkzaamheden, dus de journalistiek, in alle regio’s raken.
Is de regering het met mij eens dat regionale journalistiek het in de media buitengewoon moeilijk heeft, dat de regionale omroepen daar een belangrijke rol in hebben en dat bezuiniging in de omroep juist hierop niet afgewenteld mag worden? Kan de regering dat laatste garanderen?

De wijziging betreft ook de positie van Omrop Fryslân, die verantwoordelijk is voor radio- en televisie-uitzendingen in de tweede rijkstaal. Daar speelt een probleem dat nog verder gaat. Staatssecretaris Dekker en ook de Tweede Kamer, zijn zich de bijzondere positie van deze omroep wel bewust en zij wijzen daarbij terecht op de internationale verdragen m.b.t. de minderheidsrechten van het Fries, op de Wet Gebruik Friese Taal en op de Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur. Die bijzondere positie is onderstreept in de adviezen van de Commissie Borging Friese taal in de Media (Hoekstra II). Die commissie adviseert uitdrukkelijk “een volwaardig, zelfstandig en breed programma- /media aanbod in de Friese taal…. Die brede taakopdracht…….behoeft een structureel gedifferentieerde financiering en een afzonderlijke benadering bij de bepaling van het noodzakelijke budget.”
Datzelfde is door de Staten van Fryslân onderstreept in een unaniem aangenomen motie:
“dat…Omrop Fryslân … een onafhankelijke zelfstandige positie als enige publieke zender in de Tweede Rijkstaal moet behouden. Dat het advies van de Commissie Hoekstra volledig nagekomen moet worden, inclusief het financiële deel van de aanbevelingen betreffende een structureel gedifferentieerde aparte financiering voor de Friestalige publieke omroep.”

Het voornemen van de regering om de Friestalige omroep op te laten gaan in de landelijke Stichting Regionale Publieke Omroep waar ze organisatorisch en financieel over één kam geschoren wordt met de andere regionale omroepen, doet onvoldoende recht aan deze omroep met haar unieke opdracht. In feite zou naast de NPO en de RPO een aparte Stichting Friese Publieke Omroep het meest passend zijn om daaraan wel recht te doen. Ik wijs er in dat verband ook maar op dat een echt zelfstandige omroep die niet financieel gedwongen wordt om allerlei faciliteiten te delen met anderen een impuls kan betekenen voor allerlei bedrijvigheid rond de omroep die de positie van de minderheidstaal kan verstevigen. Een mooi voorbeeld daarvan is bijv. in Wales te vinden.

Is de regering bereid rekening te houden met het feit dat het bij een Friese omroep niet alleen gaat om regionale nieuwsvoorziening maar vooral ook om een publiek medium dat een zo volwaardig mogelijk tegenwicht moet bieden aan wat er in een stortvloed van anderstalige media beschikbaar is?
En is de regering bereid om met het Friese College verder na te denken over de daarvoor meest passende organisatievorm en over de voor deze omroep noodzakelijke financiële middelen?

Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >