Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Dossier Koninkrijk

11-10-2016
H. ten Hoeve
Vastlegging staatkundige positie Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Grondwet / 33.131 en 34.341,

Een dag na 10-10-16 en dus zes jaar na 10-10-10 kunnen wij akkoord gaan met het opnemen in de grondwet van het land Nederland dat de Caribische eilanden als territoriale openbare lichamen, anders dan provincies en gemeenten, bij wet kunnen worden ingesteld. En opgeheven.

Nu met de novelle nr. 34.341 geregeld is dat de eilandraden blijven openstaan voor ingezetenen niet-Nederlanders, maar er aparte kiescolleges komen voor de verkiezing van de Eerste Kamer, kan deze zaak nu afgewerkt worden. Als de drie eilanden onderdeel uitmaken van het land Nederland hoort hun positie ook in de Grondwet van het land Nederland geregeld te worden, en niet meer, provisorisch, in het Statuut.

Dát de eilanden onderdeel uitmaken van het land Nederland is de reëel bestaande situatie en het lijkt ook noch van hier uit, noch vanuit de eilanden zelf zinvol om daar nu nog vraagtekens bij te zetten. Niemand weet wat de toekomst nog kan brengen, maar om nu in een partijprogramma de koninkrijksordening weer op losse schroeven te zetten door een gemenebestconstructie te opperen, waarbij zelfs de drie minuscule eilanden waar wij vandaag over spreken als zelfstandige gemenebestlanden zouden moeten kunnen functioneren, dat lijkt toch wel ver bezijden elke denkbare realiteit of wenselijkheid.

De opgave nu is juist om af te maken waar we mee begonnen zijn: de drie eilanden volwaardig deelgenoot laten wezen in het land Nederland. Voorlopig legt ons dat nog genoeg verplichtingen op waar wij nog lang niet aan voldaan hebben en waar dus werk van gemaakt moet worden.

De minister heeft in de Tweede Kamer bijvoorbeeld opnieuw verklaard dat de staatssecretaris van Sociale Zaken met het ontwikkelen van een “ijkpunt voor bestaanszekerheid” dat afgeleid zal moeten worden van het minimumloon. Wij hebben daar met deze minister eerder over gesproken en toen ook al geconstateerd dat zo het paard achter de wagen wordt gespannen want natuurlijk moet niet het minimum de norm wezen voor de bestaanszekerheid, maar de bestaanszekerheid hoort norm te wezen voor de beoordeling van het minimumloon. Het is dus nog wat te vroeg om al te kunnen roepen, zoals wij eerder wel over een ander rijksdeel deden, “Daar is wat groots verricht”. Dat moeten we nog waar maken. Maar met dit begin van de procedure voor Grondwetsaanpassing nemen we wel uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid voor de drie eilanden op ons, de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid, ook dus voor hun bestaanszekerheid, en ook voor hun mogelijkheden om vanuit eigen autonomie zichzelf te kunnen zijn en te blijven. Ook in de beoogde grondwetswijziging wordt weer de mogelijkheid gegeven om met aparte regelgeving rekening te houden met bijzondere omstandigheden “waardoor deze openbare lichamen zich onderscheiden van het Europese deel van Nederland”. Het lijkt mij zinvol om deze mogelijkheid om verschil te maken niet vooral te gebruiken om daar met sociale regelingen goedkoper uit te wezen dan hier. De Raad van State heeft er nog eens speciaal op gewezen dat er misschien wel vooral in cultureel opzicht onderscheid is t.o.v. het Europese deel van Nederland. Dat de beoogde grondwetstekst mogelijkheden geeft om daar rekening mee te houden lijkt mij prima.

Voorzitter, ik ben blij dat we met deze wetten de drie eilanden op termijn een grondwettelijke plaats in ons land kunnen geven. Ik zal graag voor de wet en de novelle stemmen, in de hoop dat wij later met enig recht kunnen constateren dat daar wat groots werd verricht.

21-06-2016
Beleidsdebat Koninkrijkszaken.
H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,

“Een overheid met een rijks deel en een lokaal deel, met ieder zijn eigen verantwoordelijkheden, maar ook met één gemeenschappelijk doel: het welzijn van burgers bewaken en bevorderen”. Dat is een citaat, voorzitter, uit het interview in het Antilliaans Dagblad met Tjin Asjoe, de politiek leider van de Movemento di Pueblo Boneriano, de partij die ook in het nieuwe bestuurscollege van Bonaire vertegenwoordigd is. En het is een uitspraak waar wij blij mee mogen wezen en die wij ook zelf als uitgangspunt in onze beoordelingen kunnen nemen. Ook al gaan er dingen fout en ook al is er zeker ontevredenheid op bepaalde punten, de overheden zijn natuurlijk niet te kwader trouw, zij proberen het welzijn van de burgers te bewaken en te bevorderen. Desalniettemin, waar het fout gaat mag er kritiek geleverd worden en moet er ook door ons gezocht worden naar de oorzaken. Het gaat fout voor wat betreft het waarborgen van het beloofde aanvaardbare peil van voorzieningen op de BES eilanden. Uit de rapportage van de Commissie Spies kan geen andere conclusie getrokken worden, uit de antwoorden van de minister op de door de Kamer gestelde vragen, ook niet. Veel gaat goed en daar is ook algemeen lof voor, maar tamelijk wijdverbreide armoede hoort niet bij een aanvaardbaar voorzieningenpeil en, ook al ontbreken daarvoor exacte cijfers, het beeld van armoede, verminderde welvaart rijst wel duidelijk op uit de commissierapportage en ook uit onze gesprekken op de eilanden. Het CBS heeft zojuist verklaard dat in 2012 en 2013 de koopkracht op de eilanden is toegenomen, en dat lijkt mooi. Maar het heeft ook vastgesteld dat voor bijna de helft van de eilandbevolkingen het tegenovergestelde geldt. Dat is dus helemaal niet zo mooi. Voor de bevolking van de eilanden lijkt de teleurstelling over de achterblijvende, zelfs minder wordende koopkracht, welvaart, verreweg het belangrijkste element in het “gevoel” over hoe het is om bij Nederland te horen. Dat mag Nederland zich niet permitteren en ik begrijp niet dat de minister niet wil toezeggen dat er werk gemaakt zal worden van de vaststelling van een sociaal minimum zoals wij ook in Nederland kennen. Dan is er een ijkpunt, dat nu ontbreekt bij de vaststelling van bijvoorbeeld het uitkeringen regiem. Het ophangen aan alleen de economische situatie uitgedrukt in het minimumloon is niet redelijk zolang niet duidelijk is in hoeverre het minimumloon boven het bestaansminimum uitgaat. Graag een duidelijk standpunt hierover van de minister. Overigens, concreet, ik geloof ook niet dat een hoger minimumloon tot een onbeheersbare instroom van arbeid van buiten zou kunnen leiden. Er zijn werkvergunningen vereist, naturalisatie kan pas na 5 jaar en de eilanden zijn klein van schaal en heel overzichtelijk. En verstoring van de concurrentieverhouding met ondernemingen van buiten de eilanden kan toch ook nauwelijks een probleem zijn. Er is maar heel weinig materiële productie op de eilanden.

Een probleem voor de minister bij deze zaken is natuurlijk dat wij er voor gekozen hebben dat elk ministerie verantwoordelijk is voor zijn eigen te hanteren standaarden. De minister kan dus misschien moeilijk wat toezeggen zolang op andere ministeries geen besluiten genomen worden. In dat geval moge de minister de schuld van het tekortschieten in ieder geval duidelijk adresseren.

Dat elk ministerie verantwoordelijk is voor zijn eigen standaarden is trouwens ook gebleken een probleem te zijn in de relatie met de eilanden. Op twee manieren zelfs. De grote sommen geld die gespendeerd worden (want karigheid kan Nederland niet verweten worden) komen soms in heel andere projecten terecht dan op de eilanden gewenst wordt, en als dat het geval is dan lijkt het er ook vaak toe te leiden dat er bij het departement een houding ontstaat van “zouden wij dat niet beter weten dan jullie”. Een zakelijk maar vooral ook een psychologisch probleem dus dat natuurlijk door niemand gewenst wordt maar de verhoudingen heel flink kan verstoren. Het is noodzakelijk dat er meer dan tot nu toe overleg is waarbij naar de inzichten van de bevolkingen en bestuurscolleges ook echt geluisterd wordt. De Rijksvertegenwoordiger kan daarbij een belangrijke rol spelen als hij niet alleen op de eilanden geaccepteerd wordt als vertegenwoordiger van Den Haag maar ook op de departementen als vertegenwoordiger en bemiddelaar vanuit de eilanden. Dat laatste is tot nu toe ook naar het eigen oordeel van de rijksvertegenwoordiger veel te weinig het geval. Ik heb uit de antwoorden van de minister op de vragen, begrepen dat die dubbelrol uitdrukkelijk voortaan wel de bedoeling zal zijn. Denkt de minister dat die dubbelrol ook op de diverse departementen welwillend genoeg geaccepteerd zal worden? De geplande gesprekken tenminste tweemaal per jaar van de Rijksdienst en de Rijksvertegenwoordiger met alle eilanden afzonderlijk bieden goede kansen, als de informatie die daaruit komt ook in Den Haag maar serieus genoeg genomen wordt.

Er lijkt nog een derde wezenlijk probleem te zitten in de geldende regels. De eilanden hebben het gevoel autonomie kwijt te zijn geraakt door hun nieuwe status en hun financiële middelen lijken ontoereikend te zijn om zelfs de taken die ze wel zelf mogen uitvoeren ook goed uit te voeren. Als van de 367 mln euro die aan de eilanden wordt besteed er maar ruim 40 mln door hen zelf vrij besteed kan worden, lijken de verhoudingen inderdaad wel scheef. Het idee-versa rapport constateert dat ook, de eilanden klagen heel concreet over mooie investeringen die Nederland betaalt maar zonder dat de eigen middelen van het eiland aangepast worden om die investeringen dan vervolgens zelf te kunnen onderhouden. Ik begrijp dat zelfs het College Financieel Toezicht hier tegen op loopt. Is ook dit probleem niet een teken van een te bevoogdende houding die bevoegdheden, tot zelfs het uitgeven van visvergunningen, laat staan werkvergunningen, en geldmiddelen, liefst zoveel mogelijk in Haagse handen houdt? Is de minister bereid om, samen met al zijn collega’s, serieus na te denken over voorstellen van de eilandbesturen als die menen zaken zelf aan te kunnen pakken?

Voorzitter, ik ga er eigenlijk van uit dat als de drie nu door mij benoemde problemen, het armoedeprobleem, het te weinig rekening houden met de meningen van de eilanden zelf, en de terughoudendheid in het toevertrouwen van bevoegdheden en eigen geldmiddelen aan deze lokale overheden, opgelost worden, dat dan het Nederlandse bewind op de drie Openbare Lichamen wel degelijk een succes wordt. Want er gaat natuurlijk ook nu al ook heel veel goed. En bijvoorbeeld de benoeming van de Sabaanse gedeputeerde Chris Johnson tot Nederlands Vertegenwoordiger op Sint Maarten bewijst dat Nederland ook zeker oog heeft voor de mogelijkheden, capaciteiten en competenties die de eilanden zelf te bieden hebben.

Nog één andere zaak met betrekking tot de BES eilanden. Het College voor de Rechten van de Mens en de Ombudsman hebben in een brief de aandacht gevestigd op het feit dat rechtsbijstand in civiele procedures op de eilanden vaak een probleem vormt. Laagdrempelig advies is niet beschikbaar, formele rechtsbijstand van een advocaat is duur en bovendien is een advocaat op Saba en Sint Eustatius niet beschikbaar. Vanaf Sint Eustatius zelf werd mij er op gewezen dat onder het Antilliaanse recht bijstand door een zaakwaarnemer gegeven kon worden, goedkoper en makkelijker bereikbaar dan nu de advocaat is onder het Nederlandse recht. Met het College en de ombudsman vraag ik de minister om werk te maken van de oplossing van dit probleem.

Daarnaast, dit is een voorbeeld is van een wijziging in omstandigheden veroorzaakt door het vervangen van Antilliaanse door Nederlandse regelgeving. Of dat in het algemeen de afgelopen vijf jaar echt “met terughoudendheid” is gebeurd, daar kunnen misschien nog wel vraagtekens bij gezet worden. Maar in ieder geval is mij duidelijk geworden dat bij het Gemeenschappelijk Hof, dat zowel de Caribische landen als Caribisch Nederland als werkgebied heeft, het gevoel leeft dat vooral Nederland te weinig rekening houdt met de concordantie in wetgeving die volgens het Statuut moet worden nagestreefd en die voor het functioneren van het Hof ook van groot belang is. In het algemeen zal het zo zijn dat de landen in hun wetgeving vaak zullen aansluiten bij Nederlandse wetgeving, maar voor Caribisch Nederland lijkt het ook heel zinvol om specifiek in de daar te introduceren wetgeving rekening te houden met de regelgeving in de Caribische landen. Dat is belangrijk voor het Hof, maar wellicht ook wel om bij regelgeving in de gaten te blijven houden of onze regelgeving wel past in de Caribische omstandigheden. Hoe belangrijk vindt de minister het dat bij de wetgeving die wij doorvoeren in het algemeen rekening wordt gehouden met het concordantieprincipe van art. 39 van het Statuut en in het bijzonder bij de wetgeving voor de BES rekening wordt gehouden met de situatie op de andere eilanden. En op welke manier kan de minister vanuit zijn coördinerende functie ook de andere departementen daarmee rekening laten houden?

Nog even hierop voortbordurend: uit het verslag van de Evaluatiecommissie Justitiële Rijkswetten blijkt dat de financiële situatie van het Gemeenschappelijk Hof is heel moeilijk is en belemmerend werkt op een voldoende inzet van competent personeel en op bijvoorbeeld noodzakelijke modernisering van de werkprocessen. Het goed functioneren van het justitiële systeem is van groot belang, zeker ook voor Nederland. Niet alleen vanwege de positie van de drie Openbare Lichamen Caribisch Nederland, maar misschien nog wel meer vanuit de waarborgfunctie van het Koninkrijk voor deugdelijk bestuur. Ik vraag de minister daarom hoe hij de problemen van het Hof ziet, of hij van mening is dat de financiële mogelijkheden mogelijk te krap bemeten zijn en hoe hij meent dat de geconstateerde problemen opgelost kunnen worden.

Dan, voorzitter, de verhouding met de Caribische landen. De landen zijn autonoom en dus zelf voor alle onderwerpen met enkele uitzonderingen, verantwoordelijk. Maar de waarborgfunctie die het Statuut toekent aan het Koninkrijk kan onder omstandigheden nopen tot ingrijpen in de autonomie. Ik wil kort ingaan op twee aspecten van het functioneren van het Koninkrijk.

In de eerste plaats is juist de regeling van de waarborgfunctie de belangrijkste oorzaak voor geschillen binnen het Koninkrijk. De geschillenregeling zal binnenkort aan de orde komen, maar ik wil daarvan wel nu al vaststellen dat ik het eens ben met de gedachte dat puur juridische geschillen bindend beslecht moeten kunnen worden. Waar bestuurlijk-politieke afwegingen een rol spelen geldt dat niet onverkort.

Als tweede punt in dit verband: wat is het Koninkrijk? De samenstelling van de Koninkrijksregering is geregeld in het Statuut. Dat de Koninkrijksregering in de Caribische landen vaak gezien wordt als puur Nederlandse, dus bijna koloniale bovenbaas, is begrijpelijk maar ook wat onvermijdelijk door de gewichtsverhoudingen van de vier landen ten opzichte van elkaar. Maar het Koninkrijksparlement dat de Rijkswetten moet goedkeuren is echt een puur Nederlands parlement, wel met enig spreekrecht maar zonder enig stemrecht van de Caribische bevolkingen of parlementen. Het democratisch deficit waar vaak over gesproken wordt is in praktische zin vaak gewoon het gewicht van Nederland ten opzichte van de drie andere landen. Maar in formele zin is hier ook echt sprake van een democratisch deficit waar Rijkswetten door uitsluitend één van de vier landsparlementen bepaald kunnen worden. Om dit probleem op te lossen zijn er diverse mogelijkheden waar ik niet verder op in zal gaan. En het lijkt ook niet opportuun om nu te streven naar aanpassing van de staatkundige verhoudingen in het Koninkrijk en elke aanpassing zou ook materieel gezien maar beperkte effecten hebben. Maar het is wel zinvol om ons dit manco in de verhoudingen te blijven realiseren, daar in de wijze van omgaan met elkaar rekening mee te houden en ook bij gelegenheid naar een definitieve oplossing van deze formeel-staatsrechtelijke onevenwichtigheid te streven. Een reactie van de minister op deze gedachten hoor ik wel graag!

Nog drie wat praktischer zaken, voorzitter. Voor het verkrijgen van het Nederlanderschap door een inwoner van één van de Caribische eilanden zou het spreken van één van de ter plaatse geldende erkende talen toch moeten kunnen volstaan. Wie Papiaments spreekt en op Curaçao woont kan toch niet gedwongen worden om Nederlands te leren om ingeburgerd te mogen heten? Duur en zinloos, zegt bijvoorbeeld de Arubaanse regering hiervan heel expliciet. En ik ben het met haar eens. Wat vindt de minister? Is hier geen reden om de eisen voor naturalisatie te differentiëren voor de vier landen?

Tweede punt. Kort geleden heeft de heer Mito Croes afscheid genomen als Staatsraad. Er zijn nu geen Caribische leden meer binnen de Raad van State, die wel adviseert over Rijkswetten en natuurlijk nog veel vaker over wetgeving die voor de BES eilanden gaat gelden. Heeft de regering de wil om de Caribische rijksdelen weer in de Raad van State vertegenwoordigd te laten worden? Wat mogen wij daaromtrent verwachten?

En het derde punt. Nederland leent momenteel geld tegen 0% rente. Nederland is bereid en dus ook heel goed in staat om geld tegen lage rente door te lenen aan Curaçao en Sint Maarten, maar doet dat niet aan Aruba. De eis dat Aruba zijn begroting volledig sluitend moet hebben voor Nederland tot goedkoop doorlenen bereid is, lijkt belachelijk gelet op de geweldige en succesvolle inspanningen van de Arubaanse regering voor de ontwikkeling van het eiland en ook voor de samenhang in het Koninkrijk. Daarnaast, de getoonde bereidheid om akkoord te gaan met financieel toezicht op dezelfde voet als de beide andere Caribische landen én de omstandigheid dat juist Aruba altijd zelf zijn financiële rommel heeft moeten opruimen, in tégenstelling tot de beide andere Caribische landen, maakt de Nederlandse weigerachtigheid wel heel wrang. Ik zou de minister met klem willen vragen om het Nederlandse kabinet zover te krijgen dat aan deze discriminatie een eind wordt gemaakt. Graag een positieve reactie van de minister.

Voorzitter, ik begon met een citaat van een Bonairiaans politicus, ik eindig met de zinsnede die op het Curaçaose autonomiemonument met de zes uitvliegende vogels staat. De tekst sloeg bij de onthulling van het monument in 1955 op Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, maar geldt natuurlijk nog steeds voor de vier landen van ons Koninkrijk: Steunend op eigen kracht, maar met de wil elkander bij te staan. Nederland heeft de meeste mogelijkheden om “elkander bij te staan”. Het doet dat natuurlijk niet ongecondioneerd, maar tegenover het feit dat Nederland op grond van zijn economisch en bevolkingsgewicht de uiteindelijke macht in het Koninkrijk voor zich zelf reserveert, mag wel staan dat het dat economisch gewicht ook inzet om al de koninkrijksdelen die de financiële en economische nadelen van kleine eilandstaten meetorsen van harte bij te staan. Met hulp, met expertise, met bestuursbijstand, en eventueel ook met financiering van instituties die voor het geheel van belang zijn. Het Hof bijvoorbeeld? Alles wel met respect voor de eigen identiteit, de eigen cultuur en taal, en de autonomie van alle eilanden.

Voorzitter, ik wacht graag op de reactie van de minister.

24-05-2016
Vragen H. ten Hoeve / OSF i.v.m. beleidsdebat koninkrijkszaken.

Het lid van de OSF verneemt graag van de regering of zij het eens is met de uit het evaluatierapport van de Commissie Spies naar voren komende gevoel dat de onder de bevolking van de BES eilanden na structuurwijziging van 10-10-10 verarming is opgetreden. Als de regering dat gevoel deelt, waardoor meent zij dan dat deze verarming ontstaan is.

In de reactie van de regering op het evaluatierapport blijkt niet dat de regering voornemens is om een duidelijk “voor Nederland aanvaardbaar voorzieningenniveau” te introduceren of een sociaal minimum vast te stellen voor de BES eilanden dat daarmee in overeenstemming is. Meent de regering niet dat dit deze drie delen van het land Nederland in een negatieve uitzonderingspositie plaatst ten opzichte van de rest van Nederland?

Is de regering van mening dat de Algemene Bestedingsbelasting voor de BES eilanden een verdedigbaar belastinginstrument is, gelet op het feit dat bijna het hele verbruik op de eilanden geïmporteerd moet worden, en gelet op het resulterende en in verhouding tot de inkomens hoge prijspeil, en deze omstandigheden vergelijkend met de omstandigheden in het Europese deel van Nederland?

Is de regering van mening dat introductie van nieuwe wetgeving ter vervanging van Antilliaanse wetgeving op de BES eilanden “met terughoudendheid” is gebeurd? Heeft de regering de indruk dat het overleg met de drie eilandbesturen over nieuwe wetgeving voldoende ruimte heeft geboden aan de eilandbesturen om tot gefundeerde beoordelingen van die wetgeving te komen?

Is de regering van mening dat ten behoeve van de rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof in de wetgeving voor de BES eilanden gestreefd moet worden naar een redelijke mate van concordantie met de wetgeving in de drie Caribische landen? Zo ja, heeft de regering de indruk dat dit in de wetgevingspraktijk voldoende tot uiting is gekomen?

Is het juist dat volgens de Antilliaanse wetgeving inwoners van de BES eilanden zich in een civiel proces konden laten vertegenwoordigen door een zaakwaarnemer, terwijl dat volgens de nu vigerende wetgeving alleen nog door een (dure) advocaat kan? Meent de regering dat hierdoor de mogelijkheid voor de bevolking om via procedures recht te zoeken geschaad wordt of zijn er voldoende (betaalbare, op alle eilanden en voor iedereen bereikbare) mogelijkheden voorhanden om daarin te voorzien?

Is de regering van mening dat het systeem waarbij elk ministerie eigen beslissingen neemt ten aanzien van wenselijke investeringen op de BES eilanden kan leiden tot een bevredigende afweging van prioriteiten voor de eilanden of zou een systeem van prioritering over alle beleidsonderdelen op basis van totaal beschikbare middelen tot voor de bevolking bevredigender uitkomsten kunnen leiden?

Ziet de regering de functie van de Rijksvertegenwoordiger uitsluitend als vertegenwoordiging van het rijksstandpunt naar de BES eilanden of ook als vertegenwoordiging van de eilandstandpunten en overwegingen naar het kabinet en naar de diverse ministeries. Indien het laatste, heeft de regering dan de indruk dat de Rijksvertegenwoordiger hierin voldoende krachtig kan optreden?

De regering van het land Sint Maarten geeft aan dat het land onvoldoende heeft kunnen profiteren van de sanering van de Antilliaanse schulden in 2010 zodat het is blijven zitten met een aanzienlijke geërfde schuldenlast in plaats van een gezonde start te kunnen maken. Kan de regering aangeven of deze zienswijze juist is, en zo ja, waardoor deze situatie ontstaan is?

Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >