Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Dossier Economische Zaken

16-05-2017
34.295 Wet grondgebonden groei melkveehouderij
34.532 Invoering stelsel van fosfaatrechten

H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,

In één van de vele brieven die wij mochten ontvangen over de wetgeving en de maatregelen m.b.t. de fosfaatproblematiek, wordt gesproken over de lappendeken aan wetgeving, over de overheid die met steeds meer gedetailleerde wetgeving komt, over voortdurende onzekerheid en over chaos. En inderdaad is dat het beeld dat ontstaat uit alles wat er gebeurd is na de afschaffing van het melkquotum. Het beeld ook, dat de Nederlandse landbouwpolitiek zwalkt tussen enerzijds volledig gebruik willen maken van de vrije wereldmarkt waar de vraag naar zuivel jaarlijks met wel 3% toeneemt (zie rapport “De kracht van zuivel”) en anderzijds toch ook de sympathie voor het familiebedrijf, weidegang en dierenwelzijn, en grondgebondenheid d.w.z. circulaire economie toegepast op de veehouderij. Wij voelen ons genoodzaakt om met fosfaatrechten te gaan werken om aan de derogatienorm, eigenlijk dus aan een speciale vorm van de Europese waterkwaliteitseisen, te kunnen voldoen. Dit moet dus om het milieu te sparen, maar de regering zegt er in de nota naar aanleiding van het verslag wel direct bij dat het wel de bedoeling is dat er dan ook volledig gebruik gemaakt wordt van alle beschikbare fosfaatrechten zodat die niet “op de plank blijven liggen”. Vandaar ook dat de rechten verhandelbaar worden zodat ze beschikbaar blijven om melk te kunnen blijven produceren. Tegelijk worden dan in de Tweede Kamer moties aangenomen die vragen om een grondgebonden veehouderij, met dus als uitgangspunt de draagkracht van de eigen bodem en niet de ruimte die de markt biedt. Zulk zwalken in de politiek betekent dat geen duidelijk perspectief aanwezig is, niet voor de politiek en dus ook niet voor de boeren.

De eisen die wij vanwege de derogatie moeten stellen zijn anders dan wat wij in de meststoffenwet als uitgangspunt namen. Dat was: veehouderij voor melkproductie is mogelijk als de mestproductie of op het land gebruikt, of geëxporteerd, of verwerkt kan worden. Dat was in feite een keuze voor een zo groot mogelijke productie van onze hoogproductieve, concurrerende en ook nog eens steeds diervriendelijker opererende melkveehouderij met de opdracht er bij, zorg dat de mest goed terecht komt. Moeten we, vraag ik de staatssecretaris, niet intussen toegeven dat dit in feite onbegrensd toelaten van melkproductie en dus ook van mestproductie mislukt is doordat mestverwerking onvoldoende van de grond komt door technische en financiële oorzaken en er mede daardoor van de mest die eigenlijk verwerkt zou moeten worden toch ook een flink deel illegaal gedumpt wordt?

Intussen is de roep om aanpassing van de productie aan de begrenzingen die grond en bodem stellen, steeds luider geworden. Ook in de politiek, zie de moties van de Tweede Kamer. Die roep is niet meer te negeren, vandaar de aanpassing van de Meststoffenwet met de Wet grondgebonden groei melkveehouderij. Maar een keuze voor grondgebondenheid ligt daar niet echt in besloten. Het betekent immers niet meer dan dat bij bedrijfsuitbreiding niet meer dan een klein deel van de uitbreiding gecompenseerd moet worden door ook meer grond beschikbaar te hebben. Per saldo levert dat toch niet méér grondgebondenheid maar juist minder grondgebondenheid op door die extra niet aan grond gebonden uitbreidingen? Of zie ik dat verkeerd, vraag ik de staatssecretaris.

Is de conclusie juist, staatsecretaris, dat wij veel praten over grondgebondenheid, maar dat wij in het beleid kiezen voor zo veel mogelijk productie? En dus, dat wij daarin dwars gezeten worden door de strenge eisen die de Europese Unie ons via de Kaderrichtlijn water en de Nitraatrichtlijn en helemaal via de eisen voor de derogatie stelt? En als tussenvraag, hoe zou het er met ons milieu voorstaan als er geen Europese Unie was?

De manier waarop wij aan die eisen proberen te voldoen levert, natuurlijk, problemen op. In 2017 moet iedereen terug naar de situatie van 2 juli 2015 minus nog eens 4%. Dat is voor bijna iedereen erg. Voor degenen die net van te voren geïnvesteerd hadden en nog geen extra vee hadden kan het rampzalig zijn. Voor de volledig grondgebonden boeren, die van de 4% korting zijn vrijgesteld maar geen gebruik mogen maken van hun eigenlijk nog beschikbare ruimte op eigen grond, voelt het onrechtvaardig. Deze beide groepen worden voorlopig door de rechter in het gelijk gesteld, wat begrijpelijk is, maar wat de onzekerheid nog verder vergroot. Denkt de staatssecretaris trouwens echt dat hij er van af komt door alleen de vijf klagers vrij te stellen van de maatregelen en alle gelijksoortige gevallen gewoon onder de regeling te laten blijven vallen? En dat straks het hoger beroep hem in het gelijk zal stellen? Ik zou daar zeker enige twijfel bij hebben, en dus proberen een plan B te bedenken, als dat nog mogelijk is. Is de staatssecretaris zich op zo’n situatie aan het voorbereiden?

En dan zijn er nog de boeren die zich toeleggen op de oude vaderlandse rassen en die, getuige de stroom brieven die nu binnenkomt, zich realiseren dat het juist deze bijzondere en zeldzame dieren zijn die als eersten aan de krimp ten offer vallen en waar vanaf 2018 een duur fosfaatrecht natuurlijk nooit voor gebruikt zal worden. Dus geen kans meer voor deze cultuurhistorisch en ook voor beschikbaarheid van genetisch materiaal toch zinvolle hobby. Of gaat de staatssecretaris hier nog de regeling voor aanpassen? Graag wat mij betreft!

Alle problemen overziende blijft de vraag wat wij nu moeten. Als wij gewoon akkoord gaan met de twee wetsvoorstellen en ook met de maatregelen voor dit jaar, dan vrees ik dat iedereen daar het gevoel bij zal houden toch niet te weten waar en wanneer er weer een volgend probleem op kan duiken en zeker niet te weten waar wij nu eigenlijk naar toe willen met ons beleid. Dan is dit dus ook eigenlijk geen beleid, maar alleen een noodgreep om het acute probleem op te lossen en niet veel verder vooruit te hoeven kijken.

In Friesland is deze week door het college van gedeputeerden een landbouwnota uitgebracht waarin de ambitie wordt vastgelegd om in 2025 een grotendeels grondgebonden landbouw te hebben. Dat betekent niet een radicale ingreep ineens. De provincie beschikt trouwens ook niet over de rechtsmiddelen waarover het rijk wel kan beschikken, maar als provinciale staten akkoord gaan met deze plannen is wel de richting van het provinciaal beleid eenduidig vastgelegd.

Gelet op de mogelijkheden kon zo’n keuze voor grondgebondenheid wel eens de enige maatschappelijk echt acceptabele optie zijn. Een systeem van zoveel grootvee eenheden per ha maakt verdere ingewikkelde regelgeving overbodig, het biedt bescherming en verzorging aan grond en water, en aan landschap en natuur, het hoort van nature bij weidegang en creëert makkelijker dan intensievere veehouderij een diervriendelijke situatie. En het kan ruimschoots voldoende rendement voor familiebedrijven opleveren. Misschien dat grondgebondenheid daarbij regionaal moet worden ingevuld door veehouderij en landbouwgronden te koppelen. En het is ook niet onmogelijk dat een sluitend en betaalbaar systeem van mestverwerking in de toekomst mogelijkheden voor andere vormen van landbouw zou kunnen bieden, maar ik heb het gevoel dat dat nu werkelijk nog niet het geval is.

Maar, kiezen voor grondgebondenheid is wel een keuze die duidelijkheid kan scheppen, maar het kan niet zonder uitgebreid en dus ook vrij langdurig overgangsbeleid. De maatregelen die nu ontworpen zijn voldoen daarbij niet, in ieder geval niet in alle opzichten, om te passen in een dergelijke lange termijnkeuze. Dat zou heel wat beter worden als fosfaatrechten niet verhandelbaar gemaakt zouden worden en uitbreiding van de veestapel dus niet van aankoop van fosfaatrechten maar van beschikbaarheid van grond zou moeten afhangen. Eigenlijk denk ik dat het juist nu, nu er hoe dan ook wat moet gebeuren, het moment zou zijn om op die manier echt nieuw en toekomstbestendig beleid in gang te zetten. Ik neem niet aan dat de staatssecretaris zijn plannen nu onmiddellijk wil aanpassen, maar met mijn constatering dat dit wel het geschikte moment zou zijn, is hij het misschien wel eens. En wie weet dwingen de omstandigheden, of de rechtbank, of deze Kamer, hem toch nog wel tot verdergaande bijstellingen. Het zou het leven van boeren en bewindslieden en het naleven van de Europese milieueisen eenvoudiger maken en ook nog tot flinke bezuinigingen op departementsambtenaren kunnen leiden. Naast alle andere voordelen!

Voorzitter, ik verwacht graag de reactie van de staatssecretaris.

Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >