Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Senator OSF Hendrik ten Hoeve
positief over uitstel mediawet

OSF Senator Hendrik ten Hoeve is positief over het uitstellen van een besluit over de nieuwe mediawet in de Eerste Kamer. Er komt een lijst van toezeggingen die de staatssecretaris gaat meenemen in een aangepast voorstel. Daarnaast komt er een overleg met Omroep Friesland over de bijzondere positie van deze omroep.

Ten Hoeve stelde een groot aantal vragen aan de staatssecretaris over mogelijke nadelige gevolgen voor met name de regionale omroepen. Hij kreeg veel bijval in de Eerste Kamer. Of de wet op onderdelen kan worden aangepast en in hoeverre de wet daarvoor ook weer terug moet naar de Tweede Kamer is nog niet helemaal duidelijk. Voor de OSF staat nu wel vast dat een aantal pijnpunten uit de wet gehaald zullen worden.

Wordt vervolgd..

Onderstaand de bijdrage van de OSF Senator op 2 februari jongstleden.


Het “toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst” is het waard dat er goed over wordt nagedacht en gediscussieerd voor er ingrijpende beslissingen worden genomen. Dat is dan ook in de behandeling, ook hier in de Eerste kamer, in redelijk ruime mate gebeurd. De invloed van de overheid op de NPO, de regierol van de NPO en haar invloed op programmering of zelfs programma-inhoud, de omschrijving van de taak van de publieke media binnen het totale mediabestel en de vraag of de vereiste pluriformiteit nu moet komen van alleen de omroeporganisaties met leden of vooral ook van een sturende NPO met eigen mogelijkheden om voorstellen van externe producenten gerealiseerd te krijgen, dat allemaal is veelvuldig aan de orde geweest.

En daarnaast is dan nog het andere deel van het wetsvoorstel aan de orde geweest, de opzet van een landelijke inbedding van de regionale omroepen. De RPO waarin het wetsvoorstel hiervoor wil voorzien, moet, net als de NPO, ook sturend worden, maar dan niet in programmatisch maar in financieel opzicht, d.w.z in het toedelen van facilitaire en personele mogelijkheden, dus het maken van ingrijpende keuzes, voor de in de regio’s in principe zelfstandig werkende redacties.

De Raad van State constateert dat de organisatie van de landelijke publieke omroep een hybride karakter krijgt door de combinatie van omroepverenigingen en centrale sturing. En inderdaad is juist dat de reden voor veel vragen over de werking van het systeem, waar het moeilijk blijkt te zijn om echt duidelijke antwoorden op te krijgen. Omroepverenigingen worden in hun vrijheid beperkt allereerst al door de inperking van de opdracht voor de publieke omroep: geen amusement meer, dan alleen als dat helpt voor informatie, cultuur en educatie. De NPO zal daar natuurlijk op toe zien in haar programmeringstaak. En zij worden verder in hun vrijheid beperkt door de beoordeling van programma’s door de NPO ook in het kader van de programmeringstaak. De belangrijke vraag daarbij is telkens weer hoever de NPO daarbij kan gaan. Keurt de NPO alleen het genre, of toch verdergaand, tegen de grenzen aan of zelfs over de grenzen van het verbod op voorafgaand toezicht? Hoever reikt daarbij de taak van de netcoördinatoren en van de nog onbeschreven de genrecoördinatoren? De staatssecretaris heeft tot nu toe niet echt duidelijk kunnen maken dan er geen sprake kan zijn van voorafgaand inhoudelijk toezicht. Zijn antwoorden daaromtrent liggen telkens op de grens van algemene inhoud, genre, en echte concrete inhoud. Dat schept risico’s en voor ons de niet eenvoudige afweging of hier niet grondwet en EVRM te makkelijk kunnen worden geschonden. Het oordeel van de regering daarover gaat eigenlijk niet verder dan haar conclusie dat het zal gaan om “een goed samenspel tussen MPO en omroeporganisaties”. En om een rol te spelen in dat samenspel zijn er dan het College van Omroepen, voor de advisering bij het concessiebeleidsplan, en de redacties waar de omroepen meespreken, voor het vaststellen van de profielen voor de aanbodkanalen en het opstellen van programmaschema’s. Of dat samenspel gaat lukken is natuurlijk de vraag en de positie van de omroepen in het geval het niet lukt lijkt niet heel sterk. Bezwaar, en beroep op de rechter blijft moeilijk als er veel beslissingen via mondelinge overleggen worden genomen, en trouwens ook als het om geformaliseerde beslissingen gaat. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat?

Enkele verder opmerkingen.
De taakopdracht voor de publieke omroep: informatie, cultuur en educatie met evt. niet meer dan een toeleidende rol voor amusement lijkt mij voor een omroep die in principe uit belastinggeld wordt betaald lijkt mij een juist uitgangspunt. En wat betreft het vereiste van een pluriform aanbod denk ik dat de omroepen, ook na de gedwongen fusies, daarvoor nog altijd de beste garantie vormen. Een extra rol voor externe producties, via keuzes door de NPO kan daar verder aan kan bijdragen, maar de rol van die externe producenten is via de levering van content aan de omroepverenigingen al heel groot, ik meen wel rond 50%. Dan is het dus al gelijk aan de omvang van het programmaversterkingsbudget. Denkt de staatssecretaris dat de rol van deze externen nog wezenlijk zal veranderen in de nieuwe situatie?

Tenslotte hierover, de benoemingssystematiek voor de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur van de NPO, in combinatie met de benoemingen bij NTR, NOS, Commissariaat voor de Media, ligt onder scherpe kritiek. Een rol, maar op afstand, voor de overheid lijkt bij de publieke omroep niet te vermijden. Nog wat verder op afstand zou mij niet onwelgevallig zijn, maar ik heb er niet direct een beeld bij hoe dat dan zou moeten.

Tot zover, voorzitter over de landelijke publieke omroep.
Resteert het gedeelte over de regionale omroepen, dat in de behandeling minder aandacht heeft gekregen, maar dat, in ieder geval institutioneel, bijna nog ingrijpender is dan de verschuivingen bij de landelijke omroep. Het gaat om een totale verbouwing van het systeem van 13 onafhankelijke regionale omroepen naar één Regionale Publieke Omroep, met 13 alleen redactioneel zelfstandig werkende regionale afdelingen. Op deze manier moet de voorgenomen bezuiniging van 17 miljoen door een sterke centrale organisatie worden gerealiseerd in zoveel mogelijk de facilitaire bedrijven en BackOffice werkzaamheden. Dat moet, als de plannen niet worden aangepast, gebeuren in minder dan een jaar tijd, en het is intussen ook volstrekt duidelijk dat de bezuiniging niet volledig gehaald kan worden door de geplande ingrepen.

Het voorliggende wetsontwerp regelt nog niet veel meer dan alleen de oprichting van de ene RPO, die als concessiehouder voor de hele regionale omroep moet gaan optreden. En die als directe taak, direct, nu, in verband met de bezuinigingen, krijgt “het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren. De RPO zal daarvoor na 1 januari 2017 de begroting voor de hele regionale omroep beheren en verdelen. De reactie op de plannen verbaast misschien. Er is een groot en principieel verschil tussen de reactie die naar ons toe komt vanuit de redactieraden en ondernemingsraden van de 13 omroepen gezamenlijk, en de reactie die vanuit het bestuur, maatschappelijke organisaties en de omroep zelf uit Friesland is gegeven. De algemene reactie is toegespitst op praktische problemen en bedreigingen, de reactie uit Friesland is vooral een principiële afwijzing van de plannen. De gezamenlijke reactie vanuit de 13 regionale omroepen constateert dat het zal gaan om een grote bezuiniging, die in redelijkheid niet in minder dan een jaar met de noodzakelijke ingewikkelde nieuwe beheersmethoden gerealiseerd kan worden, die trouwens ook nooit het volledige bedrag van de bezuiniging zal kunnen dekken en die daardoor onvermijdelijk naast de techniek ook de journalistiek zal treffen. Dat is des te pijnlijker nu de taken van vooral de gemeenten zoveel groter en moeilijker uitvoerbaar zijn geworden dat daarbij een controlerende regionale journalistiek juist nu van extra groot belang wordt. De regionale pers heeft het moeilijk, dat de regionale publieke omroep door overheidsingrijpen ook nog beperkt wordt combineert slecht met alle andere doorgevoerde bezuinigingen. Overigens constateert ook ROOS, in feite zowat de initiator van de plannen, dat de tijd te krap wordt, dat de bezuinigingen zo niet gehaald kunnen worden en dat uitstel geboden is. De vraag van de regionale omroepen om de bezuiniging niet zo groot te maken dat ook de redacties daar onder moeten lijden, en de vraag, nu dus ook van ROOS, om meer tijd te nemen, lijken terecht. Graag commentaar daarop van de staatssecretaris. De rijksbegroting voor 2017 moet nog vastgesteld worden en dit jaar was er in ieder geval wel 5 miljard voor goede doelen beschikbaar. Dus..

Wat in het voorliggende wetsontwerp wordt geregeld houdt nog weinig definitiefs in, maar wel de oprichting van de RPO, met de bedoeling om daarmee per 1 januari 2017 op basis van een later dit jaar nog in te dienen wetsontwerp de definitieve eindsituatie te bereiken. Dit wetsontwerp houdt ook in de vaststelling dat aan de RPO de concessie verleend wordt “voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau” en dat aan haar de opdracht toegedeeld wordt om een concessiebeleidsplan vast te stellen waarin de uitwerking van de regionale publieke mediaopdracht wordt vastgelegd en om een prestatieovereenkomst met de minister te sluiten over wat bereikt moet worden met de regionale publieke omroep. Dat betekent toch, voorzitter, dat aannemen van het voorliggende wetsontwerp, dat in directe zin nog niets regelt over de bestaande zelfstandige organisaties van de regionale omroepen, wel onvermijdelijk maakt dat in het volgende wetsontwerp de regionale publieke omroep wordt ondergebracht in de RPO en dus de zelfstandigheid van de bestaande organisaties wordt opgeheven. Is dat bij aanneming van dit wetsvoorstel inderdaad onvermijdelijk?, vraag ik de staatssecretaris. Overigens lijkt dat voor de meeste regionale omroepen op zich geen halszaak. Hun probleem is praktisch van aard en hun zeer terechte vragen richten zich dus op praktische maatregelen.

Maar de vraag uit Friesland is anders en komt van personeel van Omrop Fryslân maar ook uit de breedte van bestuur en maatschappij. En de achtergrond is niet alleen vrees voor verschraling van de journalistieke mogelijkheden, maar zorg om het verder aantasten van de mogelijkheden voor een volwaardige friestalige omroep. De Raad van State schrijft in haar advisering “De legitimering van publieke omroepen wordt traditioneel gevonden in waarden als informatievoorziening en overdracht van cultuur en educatie”. Die brede functie van de publieke media is noodzakelijk, niet alleen voor Nederland maar ook, misschien nog wel meer, voor een minderheidstaalgebied als Friesland. Dat wordt ook verwoord in de adviezen van de Commissie Hoekstra: “een volwaardig, zelfstandig en breed programma- /media aanbod in de Friese taal…. Die brede taakopdracht…….behoeft een structureel gedifferentieerde financiering en een afzonderlijke benadering bij de bepaling van het noodzakelijke budget.”.En datzelfde zeggen ook de Staten van Fryslân in een unaniem aangenomen motie: “dat…Omrop Fryslân … een onafhankelijke zelfstandige positie als enige publieke zender in de Tweede Rijkstaal moet behouden. Friesland vraagt dus niet om een redactie binnen de RPO, maar om een eigen omroep.

In een brief van 28 januari j.l. hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân samen met een aantal organisaties aangegeven wat zij verwachten van het gesprek met de staatssecretaris waarin rijk en provincie tot een overeenkomst moeten zien te komen. Dat beloofde gesprek heeft dus nog niet plaats gevonden, en dat is jammer, want dat betekent dat er nog geen duidelijkheid is over de opstelling van de staatssecretaris en over de positie van Omrop Fryslân als het voorliggende wetsvoorstel zou worden aangenomen.

Het is duidelijk wat vanuit de provincie gevraagd wordt en ook wat geboden wordt. De provincie is bereid middelen ter beschikking te stellen om een volwaardige omroep voor Friesland te helpen financieren. De provincie verwacht dat die volwaardige omroep dan een zelfstandige positie behoudt met een eigen bestuur en Raad van Toezicht en een eigen zendmachtiging. Daarbij kan dan natuurlijk een nauwe relatie worden vastgelegd met de andere regionale omroepen en de RPO, zodat ook meegewerkt kan worden aan gezamenlijke efficiencymaatregelen. Als zelfstandige organisatie, maar gelieerd aan de RPO, zal Omrop Fryslân zijn eigen deel van de bezuinigingen moeten dragen, maar wel zelf kunnen beslissen hoe die verwerkt worden. Vanwege de specifieke positie is ook eigen invloed over het facilitaire gebeuren niet zonder belang.

Voorzitter, ik ga er van uit dat de staatssecretaris het lang verwachte gesprek met de Friese gedeputeerde aan zal gaan. Misschien kan hij in zijn beantwoording duidelijk maken wat hij in dat gesprek zal inbrengen en of hij verwacht dat het gesprek tot overeenstemming zal leiden.

Overigens, ook over alle andere punten verwacht ik graag een reactie van de staatssecretaris.


Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >