Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Standpunt OSF wet DBA

De Senator heeft gisteren in de Eerste Kamer gesproken over de Wet DBA. Met dit wetsvoorstel worden de verantwoordelijkheden van de opdrachtnemer en de opdrachtgever bij het beoordelen van hun arbeidsrelatie beter in balans gebracht, waardoor de mogelijkheden om te handhaven worden verbeterd en schijnzelfstandigheid wordt teruggedrongen.

In het fiscale recht en in het socialezekerheidsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen zelfstandigen en werknemers. Of iemand een zelfstandige is of een werknemer, wordt beoordeeld op basis van de geldende wetgeving en de bijbehorende jurisprudentie. Het onderscheid tussen zelfstandige en werknemer is in de uitvoeringspraktijk van belang voor de vraag of er sprake is van inhoudings- en premieplicht voor de loonheffingen en verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Het is de wettelijke taak van de Belastingdienst om dit te controleren en waar nodig te handhaven.

Met dit voorstel wordt de huidige Verklaring arbeidsrelatie (VAR) afgeschaft. Het voorgestelde alternatief houdt in dat belangenorganisaties van opdrachtgevers of belangenorganisaties van opdrachtnemers, en ook individuele opdrachtgevers of opdrachtnemers, overeenkomsten voorleggen aan de Belastingdienst, zodat die een oordeel kan geven over de overeenkomst. Partijen kunnen hieraan zekerheid ontlenen omtrent de loonheffingen. De Belastingdienst zal beoordeelde overeenkomsten (voor zover mogelijk) openbaar maken, zodat deze door andere opdrachtgevers en opdrachtnemers kunnen worden gebruikt. Het gebruik van een beoordeelde (voorbeeld)overeenkomst is facultatief, hier bestaat geen enkele verplichting toe.

In zijn bijdrage (zie onderstaand) had hij nog een aantal vragen, maar na beantwoording door Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën was het voor de OSF Senator helder. Net als de overgrote meerderheid in de Eerste Kamer zal hij volgende week tijdens de stemming voor deze wetswijziging stemmen.



Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)
16-01-2016 H. ten Hoeve / OSF


Het werken als zelfstandige zonder personeel is populair, dat het niet altijd uit vrije keuze voortkomt, dat is duidelijk, maar dat het heel vaak ook wel een vrije keuze is, dat is ook duidelijk. En dat vaak een VAR wordt gebruikt om arbeidsverhoudingen te dekken die feitelijk als een dienstverband of fictief dienstverband geclassificeerd zouden moeten worden, is ook wel duidelijk. De Bovib, als organisatie van intermediairs zegt zelfs dat “opdrachtgevers verwachten dat minimaal 30% van de huidige opdrachten voor zzp’ers niet voldoet aan de beoogde wet- en regelgeving”. De Bovib gebruikt dit om aan te geven dat er van de Wet DBA rampen te verwachten zijn, maar de uitspraak kan met zeker zoveel recht gebruikt worden om te betogen dat de staatssecretaris wel groot gelijk heeft dat het met de VAR echt niet langer kan en dat er wat beters nodig is.
De vraag is dus niet of het huidige systeem goed is, dat is het niet, maar of het voorliggende wetsvoorstel het beter maakt.

Alhoewel er in de praktijk wel ergens een grijs gebied zal zijn geeft de belastingdienst in de voorlichting op haar website duidelijk aan welke elementen in een overeengekomen arbeidsverhouding bijdragen aan een kwalificatie als dienstbetrekking dan wel als overeenkomst van opdracht. Dat de risicoverdeling eerlijker wordt als niet meer de opdrachtgever gevrijwaard is voor alle gevolgen van handhaving achteraf, van het alsnog moeten betalen van loonheffingen, dat is evident. Dat handhaving van dat verschil makkelijker wordt als niet meer met een VAR wordt gewerkt die op enkele algemene uitspraken wordt verleend is niet onmiddellijk evident.
Als ik gebruik maak van de voorbeeldovereenkomst dan moet toch uiteindelijk precies hetzelfde gecontroleerd worden wat nu bij de VAR gecontroleerd wordt?
Wat is dan eigenlijk het verschil? Kan de staatssecretaris dat uitleggen?
En als de handhaafbaarheid inderdaad wel veel groter wordt als er gewerkt wordt met een overeenkomstensysteem, dan blijft de vraag wat voor gevolgen dat heeft. Daar is lang niet iedereen gerust op.

Allereerst wat mij betreft de centrale vraag. Er hoeft geen gebruik gemaakt te worden van een goedgekeurde overeenkomst, maar om zekerheid te krijgen van vrijstelling van loonheffingen is gebruik van zo’n overeenkomst toch wel noodzakelijk. Leidt dat niet tot een onoverzienbare administratieve rompslomp voor betrokkenen als er vaak, kortdurende, verschillende werkzaamheden onder diverse omstandigheden uitgevoerd moeten worden. De filmsector vreest dat, omdat het haar “nog niet mogelijk is gebleken vooraf goedkeuring te krijgen op een generieke modelovereenkomst”. Wat is daar dan aan de hand? Zijn er nu zo veel overeenkomsten nodig voor de contractanten zelf om exact vast te leggen wat partijen van elkaar verwachten, of zijn ze nodig zodat niet achteraf de opdrachtnemer telkens aangestuurd moet worden en er dus een gezagsverhouding ontstaat?
Is het voor de filmindustrie ook mogelijk om alleen maar één simpele modelovereenkomst te hanteren en de concrete inhoud van het werk dan met elkaar verder onderling te regelen? Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat?

Er bestaat grote vrees dat er aanzienlijk veel minder opdrachten aan zzp’ers verstrekt zullen worden uit angst dat, of vanuit de constatering dat, de beoogde arbeidsverhouding in feite als dienstbetrekking kwalificeert. Aan de ene kant is dat mooi, want de handhaving begint dan onmiddellijk te werken, maar aan de andere kant betekent het dat bijvoorbeeld al diegenen die optreden als zzp’er, vaak door de omstandigheden, de markt, gedwongen, maar die in feite gewoon in dienst zijn, hun opdrachten verliezen. En de vraag is of ze dan weer in loondienst terecht kunnen of dat er voor hen eenvoudig geen werk meer komt. De omvang van deze effecten zijn, denk ik, niet zo makkelijk in te schatten, maar voor veel mensen wel van levensbelang. Ik hoor van de staatssecretaris graag hoe hij hier tegen aan kijkt.

Een concrete invulling daarbij. Er zijn nog al wat zzp’ers die gedwongen door de markt hun arbeid aanbieden aan een baas met als concurrentievoordeel boven een reguliere werknemer dat ze bereid zijn altijd als het nodig is ter beschikking te zijn. Dat kan een werknemer niet bieden. Waar een opdrachtgever dat kan gebruiken is het de opdrachtnemer in de praktijk vaak niet mogelijk er meerdere opdrachtgevers op na te houden, hij moet immers beschikbaar zijn en er is wel veel werk bij die ene opdrachtgever. Bij concreet uitvoerend werk is er in de praktijk toch al snel sprake van een feitelijke gezagsverhouding in die zin dat er wel precies moet gebeuren wat de baas wil of wanneer de baas het wil.
Terugkomend op het eerder genoemde punt: als niet alles exact in afzonderlijke overeenkomsten vastgelegd is zodat de opdrachtnemer exact kan uitvoeren wat er is overeengekomen is die gezagsverhouding, die directe aansturing, toch bijna onontkoombaar? Als dan in zo’n geval die feitelijke gezagsverhouding in de beoordeling door de belastingdienst gaat prevaleren boven de formele zelfstandigheid van de zzp’er/opdrachtnemer, dan moet veel van dit werk voor zelfstandigen waarschijnlijk komen te vervallen, maar het is onwaarschijnlijk dat daar direct traditionele banen voor terug komen.
Of is dit nu een grijs tussengebied waar de belastingdienst ook met een simpele voorbeeldovereenkomst als basis toch beide kanten uit kan? Hoe kijkt de staatssecretaris, en de belastingdienst, tegen zulke situaties aan?

De opdrachtgever is onder de nieuwe wet niet meer gevrijwaard voor achteraf te verhalen loonheffingen, maar daarbij is verhaal op de opdrachtnemer niet uitgesloten. En omdat de opdrachtnemer vaak toch de zwakste partij zal zijn kunnen in de overeenkomst van opdracht de risico’s, ook dit risico, waarschijnlijk vrij gemakkelijk bij hem (of haar), opdrachtnemer, worden neergelegd. Daarbij hoeft dan de feitelijke schuldvraag over het afwijken van de wettelijke normen niet eens meer een rol te spelen. Is dat zo?, vraag ik maar weer aan de staatssecretaris.

Wij hebben tegenwoordig veel werkers uit andere EU landen die optreden als zelfstandige en die daardoor kunnen concurreren met werknemers, zowel Nederlanders als andere EU burgers. Meent de staatsecretaris dat ook hier het wetsvoorstel nog kan leiden tot een betere handhaving van de norm om als zelfstandige te mogen optreden, of wordt er in deze sector al voldoende gehandhaafd, of is het te moeilijk om daar echt te handhaven?

En wat betreft door de belastingdienst geaccordeerde overeenkomsten, dat zullen er op termijn toch een flink aantal worden als deze wet wordt aangenomen. Er ligt de vraag of al die overeenkomsten dan openbaar kunnen zijn. Waar wij ons laten voorstaan op transparantie ook in fiscaliteiten, is daar veel voor te zeggen. Kan de staatssecretaris daar dan nee tegen zeggen?

Tenslotte, voorzitter. Uit het geval van de filmsector blijkt dat het niet altijd makkelijk is om tot generieke sectorovereenkomsten te komen. M.a.w. dat het waarschijnlijk toch vaak noodzakelijk is om werkzaamheden vrij exact te omschrijven om te voorkomen dat er een gezagsverhouding ontstaat. Is dat een veel voorkomend verschijnsel, lopen veel sectoren hier tegen op bij het overleg met de belastingdienst? Als dat zo zou zijn is dan de conclusie dat in zulke sectoren op basis van de huidige wetgeving beter met flexarbeid dan met zelfstandigen gewerkt kan worden? Of zijn er inderdaad heel veel grijze gevallen waar niet heel duidelijk de verhoudingen als het ene of het andere te kwalificeren zijn? En als dat het geval zou zijn, is dan de dieper liggende oorzaak ook dat nog onvoldoende duidelijk is wat wij met zzp’ers willen, en dus wat een zzp’er eigenlijk is? Dat is dan misschien wel een kernvraag in de discussie, ook voor de staatsecretaris.

Voorzitter. Hoe populair het ook is om zzp’er te worden, naar mijn overtuiging is het voor de meeste mensen toch nog steeds aantrekkelijker en beter voor hun gemoedsrust om een ouderwetse vaste baan te hebben. Het verdienmodel van veel zzp’ers levert in de praktijk ook vaak te weinig op om er echt van te kunnen leven. Het gaat in deze bespreking om een wetsvoorstel dat zeker gewenst is in zijn doelstellingen, duidelijkheid scheppen, maar dat ook, juist daardoor, heel directe negatieve gevolgen voor veel mensen zou kunnen hebben doordat aan het begrip zzp’er ineens een veel beperkter betekenis wordt toegekend. Een wel heel zorgvuldige afweging in dit Huis hoort hier wel bij. Van deze staatssecretaris kunnen wij heldere antwoorden op onze vragen en twijfels verwachten en daar reken ik dan ook graag op.


Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >