Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Senator OSF Hendrik ten Hoeve stelt vragen over nieuwe Mediawet

Senator van de OSF Hendrik ten Hoeve stelt vragen over nieuwe Mediawet en benadrukt het belang van onafhankelijke journalistiek in de provincies tijdens de commissie vergadering van de Eerste Kamer op dinsdag 10 november.

Inbreng Wijziging Mediawet (34264)
H. ten Hoeve / OSF / 10-11-2015.

Het lid van de fractie van de OSF heeft kennis genomen van het wv Wijziging Mediawet. Hij heeft begrip voor de wens om het nationale publieke programma-aanbod duidelijk te onderscheiden van het commercieel gestuurde aanbod en dat als een samenhangend geheel te laten aanbieden via de daarvoor beschikbare uitzendkanalen, maar hij heeft daarbij nog wel een aantal vragen. Hij heeft eveneens vragen bij de door het wv. in gang te zetten centralisatie van de regionale omroepen.

  • Is de regering van mening dat het karakter van de uitzendingen zal wijzigen door de duidelijke vastlegging dat het publieke aanbod gericht moet zijn op informatie, cultuur en educatie, m.a.w. vindt de regering dat nu nog sprake is van een teveel aan op verstrooiing gerichte programma’s?
  • Volgens het wetsvoorstel zullen de uit te zenden programma’s getoetst moeten worden aan het concessiebeleidsplan dat door de NPO wordt vastgesteld. Vindt daarbij toetsing plaats op basis van genre-beoordeling voordat een programma geproduceerd wordt of kan de NPO ook beoordelen op kwaliteit en strekking (inhoud) voor of ook nadat productie heeft plaats gevonden?
  • Welke rechtsmiddelen staan omroeporganisaties ter beschikking om bezwaar te maken tegen beslissingen van de NPO m.b.t. wel of niet uitzenden van te produceren of al geproduceerde programma’s?
  • De omroepverenigingen en de NOS en NTR fungeren als DAEB en krijgen als zodanig een budget toegewezen van door de overheid beschikbaar gestelde middelen. De helft van deze middelen wordt echter door de NPO toegevoegd aan het programmaversterkingsbudget en verdeeld op basis van opdrachten. Betekent dit dat (meer dan) de helft van het totale budget ten goede kan komen aan externe (niet-omroepvereniging) organisaties?
  • En betekent dit dat de invloed van de NPO niet alleen op de programmering van onderwerpen maar ook op de precieze inhouden van (meer dan) 50% van de programma’s zeer groot kan worden?
  • De NPO zal gelden als een ZBO, zijn raad van toezicht, met een brede opdracht, wordt via een vastgelegde procedure benoemd op basis van een voordracht van de minister, de benoeming van de raad van bestuur behoeft instemming van de minister. Kan de regering duidelijk maken dat dan de NPO zodanig onafhankelijk is van de regering dat haar verreikende invloed op het publieke programma-aanbod niet in strijd komt met artikel 7 van de Grondwet en artikel10 van het EVRM?
  • Wat beoogt de regering precies met het wijzigingsvoorstel m.b.t. artikel 2.55 Mw 2008 (artikel I onderdeel R van het onderhavige wv)? In hoeverre kunnen hierdoor de rechten van omroepverenigingen op aangekochte of geproduceerde programma’s worden beperkt dan wel afgenomen en in hoeverre kan dit eventuele opbrengsten van rechten voor de omroepverenigingen beperken?
Voor de regionale publieke omroep wordt een nieuwe stichting RPO in het leven geroepen. Concessie, concessiebeleidsplan en begrotings- en verantwoordingscyclus komen bij de RPO te berusten. In de MvT schrijft de regering hierover “dit vereenvoudigt de aansturing van de huidige dertien zelfstandige regionale omroepen vanuit het Rijk en het toezicht … door het Commissariaat”.
  • Betekent de gekozen opzet dat de regering van mening is dat er een eenvormig systeem van regionale omroepen moet zijn zijn, ingekaderd door één algemeen geldend concessiebeleidsplan, maar ook met beschikbaarstelling van studio’s en alle andere materiële en personele voorzieningen door de RPO aan de in de regio’s opererende omroeporganisaties? In hoeverre zal in de gekozen opzet sprake zijn van eigen personeelsbeleid bij de regionale omroepen?
  • Wordt het in de gekozen opzet mogelijk om de provincies niet alleen via een programmaraad maar ook door financiële deelname en invloed op de voor “hun” omroep gekozen materiële uitgangspunten en mogelijkheden mee te laten spreken, of blijft dit volledig uniform geregeld en in handen van de “aansturing vanuit het Rijk”.
  • Als de regering enerzijds nadruk legt op de verantwoordelijkheid van de regionale omroepen voor specifiek regionaal media-aanbod, “met behoud van de specifieke eigen regionale identiteit en cultuur” en anderzijds ook op “een wettelijk orgaan dat daadkrachtig centraal besluiten kan nemen” en “meer gezamenlijk beleid in de vorm van een wettelijk concessiebeleidsplan”, kan dan het “gezamenlijke beleid” ook een bedreiging gaan vormen voor het specifiek regionale in het media-aanbod?
  • In de brief van 15 september 2015 van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer wordt de positie van Omrop Fryslân afzonderlijk aan de orde gesteld. Is de conclusie juist dat uit het in die brief gestelde volgt dat deze regionale omroep aan een andere en mogelijk bredere taakstelling moet voldoen dan andere regionale omroepen? Is de regering van mening dat dergelijke verschillen een plaats moeten krijgen in het concessiebeleidsplan of zal dat op een andere manier geborgd moeten worden?
  • Is de regering ook van mening dat, waar het Rijk op grond van internationale verdragen en wetgeving verantwoordelijkheid draagt voor de Friese taal, maar op basis van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur de praktische invulling daarvan aan de provincie Fryslân is opgedragen, het voor de hand ligt dat de Friestalige omroep ook ten minste mede door de provincie Fryslân moet worden gedragen? Zal dat ook als consequentie moeten hebben dat de verhouding met de RPO op een aparte wijze vorm gegeven moet worden? Is de regering van mening dat daarbij de aanbevelingen van de Commissie Borging Friese Taal in de Media (Hoekstra II) een rol dienen te spelen?
  • Is de regering zich bewust van het feit dat een dergelijke gedeelde verantwoordelijkheid ook bestaat t.a.v. de Fryske Akademy, mede gesubsidieerd door de provincie en als Stichting gelieerd aan de KNAW?


Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >